Toen mijn man vanochtend opstond, draaide ik mij nog een keer om. Het is zaterdag, mijn wedstrijd is vanmiddag pas, dus ik kan nog even leker uitslapen. Iets later word ik wakker, om te ontdekken dat dat ‘iets’ wat uit de hand gelopen is. Het is al elf uur geweest! Ik sta op en combineer ontbijt en lunch. Ik graai mijn spullen bij elkaar en kan direct door naar Stadshagen. Lekkere voorbereiding…

In Stadshagen is het een drukte van belang. De 5 kilometer van de Stadshagenrun is net klaar. Lopers die gefinisht zijn, banen zich een weg door de toeschouwers en het winkelend publiek om naar huis te gaan. Lopers voor de 10 kilometer proberen een weg tussen de drukte te vinden naar kleedkamers of naar startvak. Ik loop naar de kleedkamer, om mij te ontdoen van mijn trainingspak en om nog even naar de wc te gaan. Dan ga ik ook naar het startvak.

Als het startschot klinkt, zet de menigte zich langzaam in beweging. Ik word opzij gebeukt door een loper die overduidelijk zijn PR wil verbeteren. Jammer dat dat op zo’n manier moet… Even geduld tot we het bruggetje over zijn en je kan – als je links loopt – gemakkelijk inhalen…

Het is druk die eerste meters en daardoor is het lastig om een goed ritme te vinden. Ik probeer niet te snel te starten, en eerlijk gezegd is dat in deze drukte geen al te grote opgave. Hoewel… Als ik na de eerste kilometer op mijn horloge kijk, zie ik een tijd van 5.08 staan. Dat is toch nog wel snel. Vandaar dat ik het zwaar had.

Ik had gisteren bedacht dat ik de eerste kilometers rond de 5.30 min/km wil lopen. Daarna kan ik terugzakken naar 5.45 / 5.50, om zo in de buurt te komen van mijn PR. Maar of dat vandaag gaat lukken, weet ik niet. Die eerste kilometer ging dan wel snel, maar ik heb het zwaar. Ik probeer er niet aan te denken en kijk om me heen. Ik loop nu langs het Zwarte Water. Een lange weg waar niet zo veel publiek staat.

Hijgend en puffend leg ik kilometer 2 en 3 elk in 5.36 minuten af. Dat gaat nog goed volgens schema, maar ik weet nu al dat ik het niet ga volhouden. Mijn benen willen niet meer en mijn maag begint te rommelen. Tja, dat komt ervan als je zo laat opstaat. Geen ontbijt en lunch, maar een brunch. Dat is blijkbaar toch niet genoeg ter voorbereiding op een hardloopwedstrijd.

Er staat weinig publiek langs de kant en de mensen die er staan, zijn erg stil. Dat is wel anders dan de halve marathon van Zwolle, waar het publiek constant staat te klappen en te roepen. Dat had ik nu wel kunnen gebruiken. Ik voel me moe en speel met de gedachte om aan het einde van de Pottenbakerstraat  niet naar de Marskramerstraat te gaan, maar via het park terug naar de start te lopen. Ik doe het niet, dat is mijn eer te na.

In de Tolgaarderstraat staan drie jongens in een dranghek. Hun handen uitgestoken. “Harde klap”, roepen ze als ik naar ze toe kom om hun handen te klappen. Het worden toch zachte klapjes die ik uitdeel. Sorry jongens…

Mijn snelheid is gedaald tot net iets boven de 10 kilometer per uur. Ik doe mijn best om niet onder die 10 te zakken, maar het kost me moeite. Ik probeer mijn gedachten een positievere kant op te duwen. Vorig jaar kon ik helemaal niet meedoen met de Stadshagenrun. Nu sta ik er toch maar mooi. Daar ben ik blij om. Ik ga gewoon genieten van het lopen en maak me niet meer druk om de tijd.

Maar dat genieten gaat niet zo goed vandaag. Ik vind de route niet echt mooi (behalve dan dat stukje Hasselterdijk, langs het Zwarte water) en dan moet ik straks diezelfde ronde nóg een keer lopen. Pffff…. Als ik de finishlijn passeer, staat de klok op 28 minuut-nogwat. Toch nog best redelijk, maar dat komt natuurlijk door die eerste snelle kikometer.

Weer twijfel ik even of ik hier gewoon zal stoppen en weer ga ik door. Ik wil toch in ieder geval een eindtijd achter mijn naam hebben staan… Ik neem een hap lucht en stap het bruggetje op. Ronde twee. Ik weet nu in ieder geval wat er gaat komen…  Hier staat het publiek nog een beetje te klappen. Helaas zie ik geen bekenden.

Mijn tempo zakt steeds verder weg en de een na de ander haalt mij in. Ik wil niet meer, maar ik wil ook niet opgeven. Hoe krijg ik het voor elkaar om positieve gedachten in mijn hoofd te brengen? Ik ben nog maar nauwelijks over de helft, de lange saaie stukken moeten nog komen… Had ik nu maar muziek bij me, dan had ik wat afleiding gehad…

Ik hoor een bekende stem achter mij. Tamara en Marian halen me in. Zij zien er nog fris uit. Ik probeer aan te haken bij ze, maar het lukt me niet. Bij het keerpunt op de dijk roept een baanvrijwilliger dat ik het goed doe. Was het maar waar. Ik voel me een slak. Iedereen haalt mij in… En nou vind ik het op zich niet zo erg dat anderen sneller zijn dan ik, maar het gevoel dat ik normaal sneller ben, het normaal gesproken minder zwaar heb dan vandaag. Dat is teleurstellend.

Bij de verversingspost neem ik de tijd. De eerste ronde heb ik geen bekertje aangenomen, omdat ik tweeënhalve kilometer te vroeg vond om te drinken. Nu kan ik wat water wel gebruiken. Ik pak een beker aan en stop om te drinken. Mijn tijd is toch al niet goed, dan hoef ik ook niet moeilijk te doen om het water rennend naar binnen te werken…

Bij de Pottenbakkerstraat overweeg ik wéér even om de route af te snijden, om via de kortste weg terug te gaan naar de kleedkamers. Maar ik heb nu ruim achtenhalve kilometer gelopen, dan ga ik niet opgeven! Ik richt me in gedachten op de finish. Als ik straks binnen ben, dan ben ik blij dat ik ‘m toch uitgelopen heb, dat ik niet opgegeven heb. Dat zal toch een goed gevoel zijn.

Ik hobbel door. Rennen kan ik het niet meer noemen. Het is maar nauwelijks sneller dan wandelen wat ik momenteel doe. “Kom op, nog even. Je bent er bijna”, wordt er geroepen. Een jongetje van een jaar of vier hangt in een dranghek, zijn hand uitgestoken voor high fives van de lopers. Maar geen enkele loper neemt de moeite om van zijn ideale lijn af te gaan. Vertwijfeld gaat het handje naar beneden. Ik stap wel van de ideale lijn af en geef de jongen een high five. Zijn gezicht straalt. En dat doet mij goed. Die jongen staat er toch maar mooi de hele tijd, in dit grauwe weer. Hij verdient wel een beetje dankbaarheid!

Nog een kilometer! Blij kijk ik naar het bordje in de berm. Ik heb er negen kilometer op zitten. Die laatste kilometer overleef ik ook wel! Dan komt Inez naast me lopen. Ze hoopt vandaag eindelijk de tien kilometer eens onder het uur te lopen. Ik weet dat ze het kan, ook al heeft ze het nog nooit gedaan. Ik heb het al wel gedaan, maar vandaag gaat het niet lukken, denk ik. Toch haak ik aan bij Inez. Ze heeft een tempo dat hoger ligt dan mijn huidige tempo, maar het is niet té snel.

Samen lopen we de laatste kilometer door Stadshagen. Op de hoek voor het laatste stuk staat Loopsporter Albert. Hij steekt Inez en mij een hart onder de riem. Ik ruik de stal en zet aan voor een eindsprint. “Kom op Inez”, roep ik naar mijn loopmaatje, maar ze kan niet volgen.

Met alle kracht die ik heb, pers ik er nog een eindsprint uit. Het publiek klapt en ik herken een aantal loopmaatjes. Ze moedigen mij, en de andere lopers, aan en dat doet goed. Met een goed gevoel ga ik over de finish en ik zie dat de klok een uur aangeeft. Zou het dan toch nog gelukt zijn binnen het uur?

“Je had het zwaar hè, die tweede ronde?”, vraagt Albert als ik sta bij te komen met een lekker stuk sinaasappel. “Niet alleen de tweede ronde”, antwoord ik. Maar ik ben blij dat ik gefinisht ben. En ik ben eigenlijk nog best tevreden met mijn tijd. Binnen het uur, terwijl ik helemaal niet lekker gelopen heb. Een leerzame run, constateer ik. Voortaan niet uitslapen voordat ik een loopevenement heb. Gewoon normale tijd opstaan, zodat ik tijd heb voor ontbijt én lunch, en ook nog even kan ontspannen voordat ik weg moet.

Thuis geeft de uitslag op internet uitsluitsel. Het is gelukt binnen het uur!


Nog maar net, maar dat mag de pret niet drukken! En die eerste vijf kilometer heb ik nog best aardig gelopen, ook al ging het niet lekker.


Volgende Stadshagenrun schrijf ik me in voor de 5 kilometer. Twee keer hetzelfde rondje is echt niets voor mij, slechte dag of niet…

Advertenties